Programma toelichting Graziakwartet

Joseph Haydn Strijkkwartet nr. in Bes gr.t. opus 76 nr. 4 (Zonsopgang, 1798?)
(1732 – 1809) Allegro con spirito
Adagio
Menuetto Allegro
Finale. Allegro, ma non troppo

Van Haydns 68 strijkkwartetten krijgt u vanavond nummer 63 te horen. Het maakt deel uit van een serie van zes kwartetten die hij in 1796/97 schreef in opdracht van de Hongaarse graaf Joseph Erdödy, die er 100 dukaten voor betaalde; een fors bedrag, maar hij kreeg dan ook waar voor zijn geld. Haydn was net een paar jaar terug van zijn laatste reis naar Engeland, en stond in feite op het toppunt van zijn roem, vandaar dat zijn prijzen aanzienlijk omhoog waren gegaan.
Haydn wordt algemeen als de stamvader van het strijkkwartet gezien, maar het was zijn vriend en toenmalig werkgever Karl Joseph Edler von Fürnberg, die rond 1757 met het idee op de proppen kwam om aan de strijktrio’s (2 violen en een cello) die Haydn voor hem componeerde een altvioolpartij toe te voegen. In de volgende decennia werkte Haydn dit idee met tussenpozes uit, waarbij hij een oplossing zocht voor vragen als hoeveel delen moet zo’n kwartet hebben, wat voor vorm en karakter moeten ze hebben en hoe zorg je voor afwisseling en balans tussen de delen.
Aan het eind van de achttiende eeuw had Haydn dit soort problemen op een voor hem bevredigende manier opgelost, niet in de laatste plaats dankzij Mozart, die inmiddels alweer zo’n vijf jaar dood was. De Erdödy-kwartetten zijn een uitgelezen voorbeeld van het door Haydn ontwikkelde klassieke kwartet. Daarvan is het eerste deel gecomponeerd als een klassieke hoofd- of sonatevorm met twee thema’s, een doorwerking en een reprise. Daarna volgen dan een langzaam deel – vaak een liedvorm, maar hier ook een sonatevorm - , een energiek menuet met contrasterend trio en tenslotte als finale een opgewekt en vaak geestig rondo.
Het kwartet dat u vanavond beluistert dankt zijn bijnaam ‘Sunrise’ aan het begin van het eerste deel, waarin de eerste viool een langzaam stijgende melodische lijn schetst boven een accoordveld van de andere drie strijkers, een openingspassage die sterk lijkt op het begin van Die Schöpfung, waarmee Haydn in die tijd ook bezig was.


 

Ludwig van Beethoven Strijkkwartet nr. in f kl.t. opus 95 . (Quartetto Serioso, 1810)
(1770 – 1827) Allegro con brio
Allegretto ma non troppo
Allegro assai vivace ma serioso
Larghetto espressivo; Allegretto agitato; allegro

Beethovens kwartet op.95 ontstond zo’n dikke tien jaar na dat van Haydn. Tussen beide werken ligt echter een wereld van verschil. De klassieke beheerstheid van Haydn, die altijd rekening houdt met de luisteraar, heeft plaats gemaakt voor de tomeloze uitingsdrift van de egocentrische en in zichzelf gekeerde Beethoven. Opus 95 is een van de belangrijkste werken die hij rond 1810 componeerde. Hij gaf het de ondertitel quartetto serioso mee, vermoedelijk om duidelijk te maken dat dit kwartet van een geheel ander kaliber was dan het voorafgaande opus 74, dat een elegant geschreven en zeer toegankelijk werk is. In feite staat opus 95 vrij ver af van alle eerder gecomponeerde kwartetten. Het loop qua stijl en zeggingskracht vooruit op de laatste kwartetten, die overigens pas tien jaar later geschreven zullen worden. Opus 95 opent met een ronduit grimmig en nors motief, dat de stemming van het gehele, relatief korte eerste deel bepaalt en de zeldzame lyrische momenten, die er in voorkomen, steeds weer ruw verstoort. Daarna volgt een zwaarmoedig tweede deel, waarin nu en dan fugato-elementen opduiken. Vrij plotseling gaat het adagio over in het derde deel, dat in niets meer herinnert aan het Haydniaanse luchtige en humoristische scherzo, maar een ruwe en bitse toon heeft gekregen. Het laatste deel begint met een klagend motief, dat al snel plaats maakt voor een nerveus en gejaagd allegretto. Het eindigt met een allegro, dat naar de vorm als een traditionele, triomfantelijke afsluiting kan worden beschouwd, maar inhoudelijk meer met het ontwaken uit een boze droom kan worden vergeleken.


 

Giacomo Puccini Crisantemi voor strijkkwartet (1889)
(1858 – 1924) Andante mesto

Puccini is een van die componisten, van wie het te betreuren is dat hij niet meer kamermuziek heeft geschreven. Crisantemi schreef hij in 1890 ter nagedachtenis aan de in dat jaar gestorven Amadeo di Savoia, graaf van Aosta, die een blauwe maandag koning van Spanje (1870-‘73) was geweest. De compositie is geschreven in een driedelige liedvorm en heeft een elegisch, weemoedig karakter. Het stuk begint met een eenvoudige melodie, met een chromatisch stijgende aanhef, die als een koraal, (d.w.z. elke noot is geharmoniseerd) is gezet. In het middendeel suggereert de begeleiding onrust en bewogenheid.


 

Maurice Ravel Quatuor à cordes, in F gr.t. opus 35 (1903)
(1875 – 1903) Allegro moderato
Assez vif. Tres rythmé
Tres lent
Vif et agité

In 1905 was Ravel, 28 jaar oud, al een bekend en gewaardeerd componist, maar zijn pogingen om de Prix de Rome te winnen waren tot dan toe steeds mislukt. Met het strijkkwartet, dat U vanavond hoort, probeerde hij het nog één keer. Maar hij kwam niet eens door de voorronde heen. Zes leerlingen van de neef van de directeur van het Parijse Conservatorium daarentegen wel. Een schandaal was geboren. De directeur, Dubois, moest uiteindelijk aftreden en in plaats van zijn neef werd Gabriel Fauré, van wie op het vorige concert het pianotrio werd gespeeld, tot directeur benoemd. Fauré was overigens ook niet echt enthousiast over het strijkkwartet van Ravel. Vooral het laatste deel vond hij een mislukking, in tegenstelling tot Debussy, die Ravel bezwoer er geen noot aan te veranderen. Ravel zelf heeft altijd zijn twijfels gehad over zijn kwartet. ‘Mijn voorliefde voor muzikale structuur is hier niet goed uit de verf gekomen, hoewel veel beter en duidelijker dan in mijn vorige composities.’